|
AMICATIO N
Verdiepende
teksten
I
Aspecten van de theorie
1 Vragen aan Amication 2
De amicatieve levensfilosofie
3
De fundamenten van de amicatieve levenwijze
4
Het begin van de Amication
5
De bevrijding van de volwassenen
6
Moeten kinderen werkelijk opgevoed worden?
7
De amicatieve weg naar het kind
8
Het mensbeeld van de gelijkwaardigheid
9
Het mensbeeld van de zelfverantwoordelijkheid
10
Zelfverantwoordelijkheid vanaf het begin
11
Het psychologische verschil
12
Zelfverantwoordelijkheid en bekwaamheid
13
Het terugvinden van de psychosociale macht
14
Droeve plicht of uitnodiging
15
Liefde en verantwoordelijkheid
16
De sociale dimensie van de mens
17
Het pedagogische mensbeeld
18
Het verliezen van de zelfverantwoordelijkheid
19
De psychische agressie van de opvoeding
20
Amication en het sociaal automatisme 21 De amicatieve houding tegenover andersdenkenden
1
Vragen aan Amication.
Wat is
Amication? Hoe
wordt men een amicatieve mens? Hoe
komen amicatief opgroeiende kinderen klaar met de wereld om zich heen? Wat
betekent Amication voor het partner zijn van elkaar? Hoe ziet een amicatieve school er uit? Bestaan er voorlopers op de Amication? Waarin bestaat de winst van Amication? Hoe staat Amication tegenover geweld? Is Amication egoïstisch? Waaraan
ontlenen amicatieve mensen hun zekerheid? Is
Amication alleen maar iets voor bevoorrechte mensen? Aan wie komt Amication ten goede? Vanuit welke bronnen is Amication ontstaan? Wat is waarheid voor Amication? Hoe ziet de amicatieve maatschappij er uit? Kunnen amicatieve mensen fouten maken? Hoe leert men Amication? Wie
bepaalt wat Amication is? Besta
at er
geen haat meer in de Amication? Zitten
in Amication waarden opgesloten? Is
Amication autoritair? Waarom is
Amication geen opvoeding? Zijn er
concrete uitwerkingen van amicatieve communicatie? Hoe merken kinderen de amicatieve houding? Wat zijn de uitgangspunten van de amicatieve ethiek? Zijn
er correcties geweest binnen de Amication? Bestaan
er punten van wezenlijk belang voor de Amication? Zijn
de uitspraken van Amication doelstellingen? Zijn de uitspraken van Amication hier en nu te realiseren? Wat
moet men meebrengen om amicatief te kunnen leven? Hoe
kan men Amication goed uitleggen? Hoe
komt het dat er niet meer mensen op amicatieve ideeën komen? Welke invloed heeft Amication op de eigenliefde van het kind? Welke
maatschappelijke invloeden heeft deze amicatieve visie? Zijn
er nieuwe ontwikkelingen binnen de Amication? Is
Amication al van toepassing op zuigelingen? Hoe zouden amicatieve menswetenschappelijke instituten van
universiteiten er uitzien? Welke
maatschappelijke utopie ontwerpt Amication? Heeft Amication strafwetten nodig? Bestaat er in andere culturen ook amicatief gedachtegoed? Bestaan
er in de cultuurkring van het avondland amicatieve bolwerken? Wat
zegt Amication over ziekten? Over
kanker? Over aids? Hoe
staat Amication tegenover de dood? Welke
plaats neemt de ouderwordende mens in bij Amication?
http://www.alter-in-wuerde.de Welke
betekenis hebben voor amicatieve mensen afspraken en trouw? Nederigheid
en behulpzaamheid? Waarom zetten
mensen zich ervoor in om Amication te verbreiden? Hoe lang zal Amication nog bestaan? Vanaf welke leefdtijd kan men met kinderen over de amicatieve
theorie spreken? Waarin ligt de
weerstand tegen Amication opgesloten? Roept
Amication angsten op? Met welke
argumenten kan Amication andersdenkenden overtuigen? Welke argumenten hebben andersdenkenden tegen Amication? Moet
de volwassene veranderen om amicatief te kunnen leven? Wie
heeft voordeel van de visie van Amication, dat de mens een constructief wezen is?
Hoe komt het dat in de Amication er
geen werkelijke tegenstelling bestaat tussen goed en slecht? Hebben
kinderen een amicatief bewustzijn? Welke
vragen vindt de amicatieve mens niet meer de moeite waard om er over na te
denken? Hebben maatschappelijke
factoren invloed op de amicatieve positie? Moeten
er eerst maatschappelijke structuren veranderd worden om amicatief te kunnen
leven? Is Amication een
maatschappelijke factor? Is het
amicatieve inzicht bij de vertaling in praktisch handelen aan slijtage
onderhevig? Hoezo is Amication een
uittreden uit de eigen cultuur? Welke
macht heeft Amication? Kan Amication
angsten tot rust brengen? Wat
betekent amicatieve vrede?
2
De mens is een op te voeden wezen: dat is de basisuitspraak van de
traditionele cultuur.
Op deze antropologische hypothese ontwikkelt zich de visie op het kind, de visie
op de relaties met kinderen, de visie op volwassenen, op ethiek, op moraal, op
religie, op recht, op politiek - op basis van deze antropologische hypothese
ontstaat het traditionele wereldbeeld. De consequenties van deze visie gelden
voor alle levensgebieden. Nadien is het vanzelfsprekend dat een mens steeds
beter worden kan en moet, en dat er algemeen geldende normen bestaan, zoals
juist
en onjuist,
goed en kwaad. Vooral in de religie is het opvoedende denken
verankerd, maar ook in de morele eisen van de huidige tijd, die aanspraak maken
op objectieve waarheid en precies weten wie aan de goede kant van het leven
staat en wie niet.
Het Boven-Onder is de
basis van de traditionele patriarchale levensfilosofie en deze levensfilosofie
heeft de, tegenwoordig wereldwijd verbreide Europese cultuur van het avondland,
bepaald.
Het patriarchale
tijdperk gaat echter zijn einde tegemoet - dat wordt bewezen door het
millioenenvoudige leed van de beide wereldoorlogen, van de Holocaust en van de
bedreiging van de milieuvernietiging.
De
nieuwe psychische voorbeelden, die de mensheid de weg naar de toekomst wijzen,
zijn de waardering voor de innerlijke wereld van de ander, het existentiële
weten van de ene wereld, de leidende gedachte van gelijkwaardigheid van alle
fenomenen, die in hun veelvoudigheid met elkaar een respectvol gesprek aangaan.
Deze nieuwe voorbeelden strekken zich ook uit op de relaties tot kinderen,
ontdekken daar de paternalistisch-imperialistische impuls en rekenen er mee af:
kinderen zijn geen producten van opvoeding, met de daaruit voortvloeiende
noodzakelijke opvoedingsrelatie, maar kinderen zijn heel normale mensen, met wie
heel normale relaties zijn te onderhouden, net zoals dit voor de relatie met
Europese en Afrikaanse mensen geldt, voor mannen en vrouwen, voor de
verschillende religies, filosofieën, culturen van deze aarde. Het gaat niet
meer om "Maakt de aarde tot Uw onderdaan", maar het gaat er om met de
anderen (stenen, planten, dieren, mensen - het hele universum en natuurlijk ook
kinderen) in relatie te treden en met respect voor ieders waarde/waardigheid de
eigen wensen naar voren te brengen.
Amication is een
nieuw ontdekt land, dat gelijktijdig oeroud is en in iedere mens leeft.
De
weg daar naar toe begint met een uitnodiging:
terughoudend
zijn
- met name tegenover het kind, dat iedereen zelf ook is.
Het
afrekenen met de pedagogisch-patriarchale wereldinterpretatie vindt
voor iedereen plaats in het eigen hart, tenminste wanneer die
afrekening plaatsvindt. Want daar - in de psychische constitutie- worden de
mensen op het spoor gezet van en gebonden aan de traditionele visie, worden de
kinderen tot pedagogisch-patriarchale mensen gemaakt. De amicatieve
levensfilosofie heft deze binding op.
3
1. Eigenliefde.
Ieder mens kan van
zichzelf houden, zoals hij is. Deze constructieve visie op zichzelf komt voort
uit de levenswil en wordt door niets en niemand betwijfeld. Eigenliefde is
zonder egoïsme en door naastenliefde omgeven.
2. Volwaardigheid.
Iedereen is vanaf
het begin een volwaardige mens. Niemand moet aan zichzelf werken, zichzelf
verbeteren, opgevoed worden, om een "juiste" of "betere"
mens te worden, want iedereen
is
op
ieder moment van zijn leven een volwaardige mens. Men kan zichzelf altijd
veranderen: dit gebeurt altijd op het 100-%-niveau van de volwaardigheid en
eigenliefde.
3. Zelfverantwoordelijkheid.
Mensen worden met de
bekwaamheid geboren om voor zichzelf verantwoordelijk te zijn en om waar te
nemen hetgeen voor
zichzelf
het beste
is. Dit is geen eigenschap die zich pas in de loop van het groter worden
ontvouwt, maar een bekwaamheid, die vanaf het begin opbeperkt
aanwezig
is. De zelfverantwoordelijkheid gaat nooit helemaal verloren, wat er ook in het
leven gebeurt.
4. Soevereiniteit.
Niemand
moet
iets doen of laten, wat hij niet doen of laten
wil.
Niemand is onderworpen aan een of andere plicht, waar hij zelf niet mee instemt.
Geen enkele norm heeft het recht zich boven iemand te plaatsen. Waar iemand ook
mee geconfronteerd wordt, ieder beslist vanuit die eigen soevereiniteit zelf,
hoe hij daarmee zal omgaan. De uit de soevereiniteit voortkomende vrijwilligheid
opent de toegang tot congruentie, authenticiteit en empathie.
5. Gelijkwaardigheid.
Niets en niemand
staat boven of onder iemand anders: het paradigma van de gelijkwaardigheid van
alle fenomenen is van kracht. In plaats van het verticale denkbeeld met zijn
boven-onder-structuur, bestaat het horizontale beeld van de grote vlakte, waarop
ieder product dat tot de dingen of tot de niet-dingen behoort een
gelijkwaardige
plaats heeft. De afzonderlijke persoon gaat op eigen verantwoordelijkheid met
deze veelvoudigheid om. Welke beslissing hij ook moge nemen en op basis van
welke criteria hij zijn keuze ook maakt, nooit zal datgene, waarvoor hij niet
gekozen heeft, als minderwaardig worden geclassificeerd. Iedereen verbindt de
postmoderne gelijkwaardigheid met persoonlijke verantwoordelijkheid voor zijn
eigen
constructieve en subjectieve ethiek.
6. Subjectiviteit.
Mensen interpreteren
de wereld - ieder op zijn eigen subjectieve manier. Objectieve, van mensen
losgekoppelde waarheden bestaan niet. Ook natuurwetenschappelijke inzichten,
zijn uiteindelijke inzichten van concrete mensen met hun subjectieve
wereldbeschouwing en zijn onderworpen aan de loop van de geschiedenis. Dat
betekent dat niemand met recht aan iemand anders, zijn eigen visie op de dingen
opdringen kan. ("Zie dat nu maar in, ik heb gelijk"), maar dat
iedereen zijn eigen subjectieve visie uitdraagt.
7. Foutloosheid.
Niemand kan een
echte fout maken - want er bestaat geen objectieve, boven de afzonderlijke
persoon verheven, maatstaf. Overtredingen tegen afspraken zijn geen fouten in de
objectieve zin van het woord, maar zijn zinvolle afwijkingen van de vastgestelde
weg. Men kan zich ieder moment corrigeren; daarbij wordt de gecorrigeerde stap
toch gewaardeerd als "zinvol handelen in het verleden".
8. De sociale dimensie van de mens.
Mensen zijn sociaal
constructief, met deze potentie worden ze geboren. Zij houden rekening met de
ander, om van deze, belangrijke dingen voor zichzelf te krijgen: geborgenheid,
sympathie, liefde. Vanwege het eigen voordeel houdt de een rekening met de ander
("sociaal automatisme"), hij zorgt ervoor dat het de ander goed gaat,
want dit heeft liefde en aandacht van de ander tot gevolg. Sociaal gedrag is de
uitwerking van de eigenliefde. Niemand hoeft sociaal gedrag, naastenliefde, het
rekening houden met de ander, geleerd te krijgen: mensen zijn hiertoe reeds bij
de geboorte in staat en ze maken er ook gebruik van in het eigen voordeel (maar
het is wel zo, dat ze in de ontplooiing van deze eigenliefde gestoord worden).
9. Waardering voor de innerlijke wereld.
Zelfverantwoordelijkheid
en subjectiviteit betekenen een eigenstandige en soevereine innerlijke wereld
bij iedere afzonderlijke persoon. "Innerlijke werelden" bestaan er als
universeel principe van de innerlijke structuur overal: in atomen, stenen,
planten, dieren, mensen. Voor de innerlijke wereld van de mens bestaat
fundamentele waardering, in die innerlijke wereld wordt nooit ingegrepen in de
betekenis van, dat daar iets zou moeten zijn, wat de ander niet wil hebben
("Zie in, dat!”).
10. Zelfhandhaving in de buitenwereld.
De waardering voor
de innerlijke wereld betekent
niet
het
moeten dulden van handelingen in de buitenwereld. Op het gebied van het handelen
gedraagt iedereen zich zo, zoals dat voortvloeit vanuit zijn
verantwoordelijkheid voor zichzelf. Dit gedrag in de buitenwereld kan
overeenkomen met de voorstellingen die de ander daarvan heeft, of het kan daar
ook aan tegengesteld zijn. Bij een confrontatie of een onoverbrugbare
tegenstelling heeft ieder het recht, ten behoeve van het veiligstellen van de
eigen identiteit, zo weerbaar te zijn als iemand kan en wil. Maar bij alle
zelfhandhaving in de buitenwereld - gaat de waardering voor de binnenwereld van
iedere mens niet verloren.
11. Empathie.
De vrijwilligheid en
de waardering voor de innerlijke wereld maken het mogelijk, dat het
invoelingsvermogen van de mens zich zo ontplooien kan, zoals ieder dat
werkelijk
wil - en niet zo, zoals het op een of andere manier zou moeten zijn.
De empathische potentie van de mens komt vrij. Antwoorden op de vraag
"Wie ben ik?" en "Wie ben jij?" worden bij
het
opsporen van de
werkelijk existerende persoon, die ieder zelf is en die de ander is,
op een dieper gelegen emotioneel vlak gevonden. Dit geldt echter steeds in
zoverre, iemand dit, rekening houdend met de omstandigheden, voor zichzelf wil
realiseren (er bestaat geen plicht tot empathie). Een bijzonder gebied, dat in
de empathie ligt opgesloten, is de omgang met conflicten: "de empathische
conflictoplossing" treedt in de plaats van destructieve gevechten.
12. Opvoedingsvrijheid.
Het respect voor de
innerlijke wereld, het weten van de subjectiviteit van inzichten en de erkenning
van de gelijkwaardigheid van alle fenomenen, hebben het einde van de culturele
missioneringgedachte tot gevolg. Een andere cultuur, religie, ethiek, filosofie,
etc. hoeft niet meer naar de eigen voorstellingen, omgevormd te worden. Dit
geldt ook ten opzichte van kinderen en betekent de overwinning op de
kerngedachte die de opvoeding altijd heeft bepaald: dat men van kinderen mensen
kan maken, die overeenkomen met de voorstellingen die voortvloeien uit de
toevallige cultuur van hun ouders. De
relatie
tot het kind
komt in de plaats van
opvoeding
tot mens.
4
In het begin van de
70-er jaren werd de ouder-kind-relatie aan een radicale, tot dan toe ongekende
analyse, onderwerpen. Er waren wetenschappers en onderzoekers die een nieuw
uitgangspunt kozen.
Deze vroegen niet
meer in objectieve zin "Wat is werkelijk goed voor het kind?", maar ze
vroegen vanuit een authentiek-personale basis: "Wie ben ik, wat wil ik, wat
is goed voor mij in de communicatie met kinderen?"
De achtergrond van deze nieuwe vraag is het postmoderne paradigma van de gelijkwaardigheid, dat in plaats is gekomen van de traditionele boven-onder-structuur. De vraag "Wat is goed voor mij in de communicatie met kinderen?" komt hierbij niet van een volwassene, die zichzelf boven het kind ziet staan en die zijn bevoogdende houding door een uitbuitende houding heeft vervangen. De vraag " Wat is goed voor mij in de communicatie met kinderen?" komt veeleer van een volwassene, die zich in zijn algemeenheid ten opzichte van iedere andere persoon en ook ten opzichte van kinderen, in een gelijkwaardige positie ziet en die gewend is zijn relaties van gelijk tot gelijk waar te maken, en dit ook wil doen in relatie tot kinderen (en dat is nieuw). Hij brengt zichzelf authentiek in, in de relatie tot het kind en staat daarbij open voor het evenzo ongeveinsde communicatieaanbod van zijn tegenspeler - van de gelijkwaardige communicatiepartner, het kind.
Vanuit
deze basis wordt een existentiële weg naar het kind ingeslagen, die niet door
pedagogische uitgangspunten is voorgestructureerd, maar die ongeveinsd en
radicaal-eerlijk is: vanuit het ik naar de subjectieve identiteit van iedere
jonge mens.
Deze positie gaat uit van de existentiële gelijkheid van mensen en hun inzichten
en verlaat daarmee de pedagogiek en de opvoeding met haar, op het objectieve
denken gebaseerde sturings- en vormingsopdracht.
De
volwassene heeft nu, in de omgang met het kind, een besef van de eigen
identiteit, dat vrij is van opvoedingsdoeleinden. Methoden en technieken, strategieën en didactieken -
al datgene, wat veel moeite en kracht vraagt, is van hem afgevallen. De
volwassene is eindelijk bevrijd. Hij
wendt zich weliswaar van de opvoeding af, maar hij wendt zich niet af van het
kind. Hij wil de communicatie met kinderen, echter zonder een of andere
opvoeding.
Hij betreedt het land van het kind met de vele facetten van zijn
persoonlijkheid, met ideeën, voorstellen, kritiek, verklaringen, bemoedigingen,
angsten, grenzen, hoop, moed. Met alles, wat voor hem, vanuit eigen subjectieve
redenen belangrijk is. Hij komt zonder vormingsopdracht, zonder list en
pedagogische missie, authentiek , als persoon.
Dit alles doet de
volwassene niet omdat dit nu de objectief beste weg naar het kind is, beter dan
pedagogische wegen.
Deze volwassene gaat
er van uit dat er slechts gelijkwaardige inzichten zijn en dat zijn weg,
weliswaar anders, maar niet objectief beter is dan de traditionele, de
pedagogische wegen.
Hij weet ook, dat in hem zelf - op basis van zijn
levensgeschiedenis - een pedagogische identiteit voortleeft en dat hij daaraan
parallel een heel ander, een postpedagogisch pad inslaat. Het aan elkaar
tegengesteld zijn, ervaart hij niet als onzinnig en belastend, maar als een
verbreding en verrijking. Een radicale en onverenigbare tegenstelling tussen de
pedagogische en de postpedagogische visie bestaat er weliswaar in theorie, maar
niet in de existentiële werkelijkheid van een mens. Deze volwassene voelt ook
niet de plicht, zichzelf te veranderen in de richting van een opvoedingsvrije
positie: hij is slechts net zoveel en zolang postpedagogisch, als hij dat zelf
werkelijk kan en wil realiseren.
Hij
voedt zichzelf ook niet op - ook niet tot Niet-Opvoeden.
Hij accepteert
zichzelf zoals hij is, en is ook in relatie tot zichzelf met een
postpedagogische communicatie begonnen.
Van 1976-1978 leidde
Hubertus von Schoenebeck een twee-jarig wetenschappelijk empirisch
onderzoeksproject met kinderen in de leeftijd van 3-17 jaar om de
postpedagogische communicatie te verkennen. Aansluitend aan dit onderzoek
ontwikkelde hij in 1978 samen met Jans-Ekkehard Bonte, een
concept
voor een opvoedingsvrije theorie en praktijk, die gebaseerd is op het
postpedagogisch idee, de uitspraken van de Kinderrechtenbeweging (Children's
Rights Movement) en inzichten uit de Humanistische Psychologie. Dit concept
wordt genoemd "Freundschaft mit Kindern" (vriendschap met kinderen) en
"Unterstuetzen statt erziehen" (ondersteunen in plaats van opvoeden).
De ervaringen die hierbij werden opgedaan
evenals de reflecties op het onderzoeksproject, openden een, alle levensgebieden
omvattende speciale - postmoderne, postpatriarchale en postpedagogische -
wereldbeschouwing.
Hubertus von Schoenebeck heeft daar de vakuitdrukking "Amication"
aan verbonden. Amication is afgeleid van het Latijnse woord "amicus" (vriend)
en drukt het centrale element van deze wereldbeschouwing uit: de vriendelijke
relatie van de mens ten opzichte van zich zelf, ten opzichte van de ander en ten
opzichte van de wereld.
De in het
onderzoeksproject (1976-1987) von Hubertus von Schoenebeck gefundeerde
postmoderne, postpatriarchale en postpedagogische Amication wordt steeds verder
ontwikkeld.
Amication omvat - naast de
veelzijdige andere facetten van de menselijke werkelijkheid - een existentiële
filosofie en ethiek, emotionaliteit en praktijk: het duiden van de wereld,
het waarderen van iedere werkelijkheid, het alles begeleidende voelen en het
alledaagse handelen.
5
De bevrijding van het pedagogische denken omvat ook de volwassenen
zelf. Ook de volwassenen hadden
niet opgevoed hoeven te worden, en ook volwassenen hoeven niet meer aan zichzelf
te werken om betere mensen te worden. Volwassenen zijn net als kinderen vanaf
het begin volwaardige mensen geweest en deze volwaardigheid geldt ook vandaag en
voor de rest van het leven. Iedereen was en is 100% een volwaardige mens, voor
zichzelf verantwoordelijk vanaf het begin, vol eigenliefde en constructieve
sociale gerichtheid. |